Het tikken van de klok was het enige dat nog leek te ademen in dat huis. Tik tak, tik tak. Elke seconde voelde als een klap. Het koude marmer weerkaatste het bleke ochtendlicht, en de lucht, doordrenkt van dure medicijnen en verwelkte bloemen, hing zwaar van iets dat langzaam wegkwijnde.
Mees, een baby van 1 jaar en 7 maanden, lag stil in zijn eiken wieg, zijn ogen wijd open, gericht op het witte plafond. Hij huilde niet, hij protesteerde niet, hij keek alleen, alsof hij het opgegeven had. Daan van der Meer zat geknield naast de wieg, zijn lichaam gebroken door vermoeidheid en schuld. Hij droeg al drie dagen hetzelfde overhemd. Zijn baard groeide wild. Om hem heen leek de slaapkamer een luxe ziekenboeg.
Potjes biologische babyvoeding, Duitse vitaminespuiten, peperdure flesjes – alles onaangeroerd. Daan pakte de spuit en fluisterde met een gebroken stem. “Mees, alsjeblieft, jongen, een klein beetje.” Niets. Het licht van de lamp flikkerde, weerkaatst in de glazen potjes rond de wieg.
Verpleegster Nieneke keek in stilte naar zijn bleke, uitgeputte gezicht. “Dokter Daan,” mompelde ze aarzelend. “Het is vier uur ‘s ochtends, u moet rusten.” Daan draaide langzaam zijn hoofd, zijn ogen rood en diepliggend. “Rusten.” Het woord klonk bijna als een bittere lach. “Hoe rust je terwijl je je eigen zoon ziet wegkwijnen van de honger?” Nieneke keek naar de grond.
Ze had veel pijn gezien in rijke huizen, maar niets zoals dit. Hier veranderde geld in pure wanhoop. Daan keek weer naar zijn zoon. Het ventje ademde zachtjes, zijn borstkas bewoog nauwelijks. “De artsen zeiden dat het emotioneel is, toch?” vroeg hij, zonder zijn blik van Mees af te wenden. “Ja, meneer. Zijn lichaam is gezond. Maar het lijkt alsof hij…” Haar stem brak. “Alsof hij het opgegeven heeft.”
De woorden bleven hangen in de zware lucht, vermengd met het zoemen van de luchtbevochtiger. Daan zette zijn handen op de grond en bleef zo zitten tot de tranen stil naar beneden rolden, alsof hij zelfs de kracht niet meer had om hardop te huilen. Op het dressoir stond een familiestuk: Lotte lachend, Mees van zes maanden in haar armen, en hijzelf, de man die dacht alles onder controle te hebben.
Daan reikte naar de fotolijst. Het glas zat onder een dun laagje stof. “Het was mijn schuld,” fluisterde hij. “Ik drong erop aan dat ze naar die bouwplaats ging. Ik had het gevaar moeten zien.” De kamer rook naar eenzaamheid en spijt. Uren later, bij daglicht, liep Nieneke stilletjes de trap af en belde de arts. Toen dokter Van Dijk arriveerde, leek het huis nog steeds een mausoleum. De ramen stonden open, maar de lucht kwam niet binnen.
Ze ontmoetten elkaar in de bibliotheek, tussen strak geordende boeken en meubels die te veel glansden. “Zeg het maar, dokter,” zei Daan, zijn stem schor. De kinderarts haalde diep adem. “Uw zoon is niet ziek, Daan. Hij geeft op.” “Hij geeft op?” Daan herhaalde het ongelovig. “Hij wil er niet meer zijn.” De stilte viel zwaar. “Geen medicijn maakt dat hij gaat eten,” vervolgde de arts. “Hij heeft een reden nodig om weer te leven. En die reden moet van u komen.”
Daan lachte, een kort, bitter geluid. “Van mij? Ik ben juist de reden dat hij zo is.” “Dat is wat u denkt, maar niet wat hij nodig heeft,” zei Van Dijk zacht. Daan kon de blik niet verdragen en liep naar het raam. Buiten lag de tuin vol dorre bladeren. De regen van de nacht ervoor droop nog van de takken. “Als ik maar naar Lotte had geluisterd die dag,” fluisterde hij. “Ze had een voorgevoel, maar ik drong aan. Ik wilde haar het project laten zien.”
Hij kneep zijn ogen dicht. De herinnerning kwam scherp terug: het metaalachtige knarsen, haar schreeuw, de stilte na de val. “Daan,” zei Van Dijk zacht. “Ongelukken gebeuren.” “Niet als het mijn verantwoordelijkheid is.” Daan’s stem echode tegen de muren. Even leek de miljonair een kwetsbare jongen.
De arts zette zijn bril recht. “U zit vast in uw schuld. Tot u uzelf vergeeft, blijft uw zoon dat spiegelen. Kinderen voelen wat wij voelen. Als u hem alleen met pijn kunt aanzien, denkt hij dat zijn bestaan u pijn doet.” Daan zakte langzaam terug in zijn stoel. “En als ik het niet kan? Als ik mezelf niet kan vergeven?” “Dan verliest u allebei,” antwoordde Van Dijk. “Uw vrouw die er niet meer is, en uw zoon die er nog wél is.”
Toen de arts weg was, liep Daan naar boven. De middagzon scheen zacht door de gordijnen, strepen goud op het houten vloer. Mees lag nog steeds, zijn oogjes gericht op het plafond. Daan schuifelde dichterbij. “Jongen,” fluisterde hij. “Papa’s hier. Ik ga niet meer weg.”
Hij zakte naast de wieg op de grond en bleef daar, elk zuchtje van zijn zoon volgend. Zijn hand reikte tussen de spijlen, raakte zacht het dekentje aan. “Papa is er, hoor. Gewoon even.” Mees’ ogen bewogen, traag, bijna onmerkbaar, richting de stem. Daan’s hart sloeg een slag over, maar zijn zoon keek alweer naar het niets.
Buiten begon het weer te regenen, zacht en aanhoudend, alsof de hemel ook vergeten was op te houden met huilen. De kamer rook naar oude verdriet. “Blijf gewoon bij hem,” had de dokter gezegd. Daan sloot zijn ogen, de kou van de vloer trok door hem heen. En voor het eerst sinds het ongeluk probeerde hij níets te controleren. Hij was er gewoon.
De lege spuit rolde over de grond, bleef liggen bij het bed. De klok tikte door. Tik tak, tik tak. Buiten drong een streep licht door een kier in het gordijn en viel op een vergeetachtig servetje naast de wieg, vlekkerig van olijfolie en een gedroogde traan. Daan keek ernaar en voelde een rilling.
Hij wist het nog niet, maar dat kleine stukje licht, dat verwaarloosde spoor van menselijkheid, was het eerste teken dat het wonder onderweg was.
De bus hobbelde over de regenachtige Prins Hendriklaan terwijl Sanne haar plastic tas tegen haar borst drukte. Binnenin lagen haar papieren, een boterham in vetvrij papier en precies genoeg kleingeld voor de rit. Donderdag, zes uur ‘s ochtends. De beslagen ramen lieten alleen vage contouren zien—hoge gebouwen, verlichte reclames, haastige paraplu’s.
“Volgende halte Oud-Zuid,” riep de chauffeur. Sanne haalde diep adem. Oud-Zuid klonk altijd als een andere planeet: brede lanen, dure auto’s, gouden hekken. Heel anders dan de volkswijk waar ze woondeEn in dat kleine huis aan de gracht, waar de geur van vers brood zich vermengde met gelach, vond Daan eindelijk vrede, niet omdat het verdween, maar omdat hij leerde het te dragen.



