Lotte van Dijk keek naar de stoom die omhoog kringelde van haar kopje thee en deed alsof ze gefascineerd was door de manier waarop het schoteltje het licht opving. Het café aan de Keesstraat was zo’n plek met Frans aandoende rieten stoelen en potten lavendel; ze had het uitgekozen omdat het dapper voelde om op een dinsdagmiddag zo’n klein, gewoon mooi plekje te bezetten. Op haar tweeëndertigste had ze geleerd dat moed er nu anders uitzag—kleinere gebaren, zorgvuldig gestikte stukjes zelfvertrouwen die ze in haar leven naaide, dat niet meer paste bij de kaart die ze ooit had uitgestippeld.
Ze was een kwartier te vroeg geweest, wat eigenlijk belachelijk was: haar favoriete beige jurk (die waarin ze zich voelde als de vrouw van vóór het ongeluk), lippenstift in een zachte rode tint zodat het leek alsof ze nog steeds gezichten bezat die ze kon dragen, haar losjes opgestoken in een chignon die meer moed had gekost dan nodig was. Ze zat in haar rolstoel aan het tafeltje het dichtst bij het trottoir, handen keurig in haar schoot, speurend naar de man wiens profiel plausibel en aardig had geleken in hun berichten—Thijs, die naar haar kunstwerk had gevraagd en naar de expositie die ze noemde, en die geen punt had gemaakt van de rolstoel toen ze appten.
Ze zag hem precies op tijd aan de overkant van de straat. Hij stopte, keek rond, en zijn gezicht—toen het op haar rolstoel viel—sloot als een deur. Even keek ze toe, alsof ze iemand anders observeerde. De man typte iets snel, en haar telefoon volgde: *”Sorry, er kwam iets tussen. Kan niet komen. Succes.”*
Haar mond werd droog. Ze zat muisstil, alsof het lichaam dat haar tot hier had gedragen nog één teleursting kon bevatten zonder uit elkaar te vallen. Ze voelde de oude, bekende splinter: een reductie. Niet Lotte, de persoon met een warboel aan slechte koffiegewoonten en een zachte lach, maar een rolstoel en een verhaal waar anderen van weg liepen.
Ze overwoog om te gaan, voor haar eigen trots. *Maak de thee eerst op*, zei ze tegen zichzelf, alsof een halfleeg kopje trots kon herstellen. Ze knipperde haar tranen weg en trok een schetsboek uit haar tas, alsof ze wilde tekenen. Haar handen trilden zo dat de lijnen vervaagden tot een waterverfachtige kaart.
Toen brak er een klein stemmetje door de stilte, als iemand die een pot vol sterren over de straat uitstort.
“Hoi,” zei een meisje, zo serieus alsof ze midden in een belangrijke mededeling haar woorden woog. Ze had blonde vlechtjes met rode lintjes en een knuffel eenhoorn stevig tegen haar borst gedrukt, één schoenveter los. Haar blauwe ogen waren groot van nieuwsgierigheid. “Waarom ben je verdrietig?”
Lotte veegde haar handpalmen af met de achterkant van haar hand en glimlachte met de geoefende vriendelijkheid die ze reserveerde voor kinderen en honden. “Het gaat wel, schat,” zei ze. “Ben je verdwaald? Waar is je—”
“Papa is daar,” zei het meisje, wijzend met een plakkerig vingertje. Een man kwam aanlopen, zijn jas witte fladderend alsof hij te laat was geworden door de zwaarte van de wereld. Hij was eind dertig—knap, ja, maar niet op een opzichtige manier; meer het soort dat rustig een ruimte vult met iets geruststellends. Hij droeg de uitstraling van iemand die gewend was dat er naar hem werd geluisterd, de CEO-achtige kalmte van iemand die meer verantwoordelijk is dan alleen zijn eigen lunch.
“Belle,” zei hij zachtjes, maar zijn blik werd zachter toen hij Lotte zag. Hij nam de sporen van tranen op haar gezicht op, de lege stoel tegenover haar, en iets in zijn gesloten houding ontspande.
“Sorry als ze je heeft laten schrikken. Ze heeft de gewoonte om stilletjes weg te glippen als ik even niet oplet.” Hij keek naar de eenhoorn. “Is dat Fonkel? Ze heeft vorige week besloten dat alle knuffels een naam met ‘-el’ moeten hebben.”
“Fonkel,” bevestigde Belle, en toen, met de plechtigheid van een rechter, vroeg ze wat kinderen vragen en volwassenen nooit durven: “Waarom heb je wielen?”
Haar vaders gezicht betrok tot een beleefd berispend masker. “Belle, dat is onbeleefd—”
Lotte onderbrak hem. “Het is oké, echt. Vraag maar.” Ze sloeg haar vingers om de knuffel die het meisje haar aanbood, als een geschenk. Het speelgoed was slijtplekjes en rook een beetje naar bananenspray. Lotte glimlachte naar Belle; de glimlach voelde als een klein zonnetje.
“Ik heb een ongeluk gehad,” legde ze uit. “Mijn benen werken niet meer zoals die van jou, dus gebruik ik deze stoel om te gaan waar ik wil. Het helpt me, net zoals jouw papa met de auto gaat in plaats van overal naartoe te lopen.”
Belle knikte alsof de logica van het universum weer op zijn plek viel. “Mag ik bij jou zitten? Je ziet er eenzaam uit.”
Lotte lachte zacht en oprecht. “Ik zou het heel fijn vinden—als het goed is met je vader.”
De man wachtte even, peinzend. “Prima,” zei hij, en ging zitten zonder zijn blik van haar af te wenden. “Ik haal koffie, en dan vertel jij alles over Fonkel,” zei hij tegen Belle, die behendig op de stoel klom die Thijs’ afwezigheid had achtergelaten. Ze zette Fonkel voorzichtig tussen hen in, alsof ze grenzen markeerde.
“Papa heet Jeroen,” vertelde hij toen hij terugkwam met twee kopjes koffie en een pakje drank voor Belle, dat ze aanpakte alsof het een schat was. “Jeroen de Vries.”
“Lotte van Dijk,” antwoordde ze, beschaamd door de resterende vochtigheid om haar ogen. Ze had nooit van medelijden gehouden; het woord voelde als zand in haar mond.
Ze praatten—omdat het soms zo gaat—woorden vloeiden makkelijker tussen vreemden dan tussen mensen die al alles van elkaar verwachten. Jeroen stelde voorzichtige vragen over haar ontwerpwerk, over hoe ze thuis werkte en wat voor opdrachten ze het leukst vond. Hij vroeg niet indringend naar het ongeluk; hij liet haar dat verhaal op haar eigen voorwaarden vertellen. En toen ze over de auto, de ambulance en de maanden van revalidatie sprak, luisterde hij zoals mensen luisteren wanneer ze niet stiekem een oplossing aan het bedenken zijn.
Toen Belle een eerlijke krEn terwijl ze naar het gezin keek dat haar leven had gevuld met warmte en betekenis, besefte Lotte dat het geluk soms gewoon aan een tafeltje in een knus café begint, met een klein meisje, een knuffel en een man die bleef zitten waar een ander wegliep.



